Verslag lezing Jeroen Onrust over Weidevogels, boeren & wormen

door | 10 feb 2025

Op 10 februari 2025 zaten we in een goed gevulde zaal in het Wolderhuus te luisteren naar een boeiende lezing van Jeroen Onrust, tot voor kort ecoloog aan de RUG. Met een grote hoeveelheid dia’s  en grafieken liet hij ons enkele bevindingen laten zien van zijn promotieonderzoek naar het belang van regenwormen voor weidevogels en de vruchtbaarheid van agrarisch land.

Nederland is een delta, en vanwege de vochtige graslanden een beroemd melkveeland. Dat melkveegrasland heeft een eigen vogelpopulatie. Van de grutto’s bijvoorbeeld broedt 80% in Nederland. Zij eten veel regenwormen. Nederland wordt wel de wormenhoofdstad van Europa genoemd: op sommige percelen kruidenrijk grasland zijn er wel 1000 per m2 te vinden.

Jeroen maakt onderscheid bij de weidevogels tussen tastjagers (bijvoorbeeld grutto en scholekster, die een lange snavel in de grond kunnen steken) en zichtjagers (bijvoorbeeld kievit en goudplevier, die geen lange snavel hebben en met hun ogen moeten zoeken tussen het gras). Voor de zichtjagers zijn er minder wormen beschikbaar, zij hebben sneller een voedselprobleem.

Jeroen had vooral interesse in de kievit. Hij wilde net als een kievit wormen tussen het gras opsporen en bouwde daarvoor een speciaal karretje, waarmee hij ’s nachts het Friese weideland onderzocht op aanwezigheid van wormen. Het is fascinerend wat hij ons over wormen weet te vertellen! Zo kun je wormen onderverdelen in drie ecologische groepen: bodemwormen (grijze wormen) en pendelaars en strooiselwormen (rode wormen). De grijze wormen blijven veelal in de diepte. De rode wormen leven in de toplaag van de bodem en breken organisch materiaal af. Alle wormen samen zorgen met hun gegraaf en het omzetten van organische stoffen voor een goede structuur van de bodem.

Hoewel er meer grijze wormen in een gemiddeld Fries weiland leven dan rode wormen (75% tegenover 25%), blijkt uit poeponderzoek van grutto’s dat zij vooral rode wormen op hun menu hebben staan (70%). Naast kleiner in aantal zijn rode wormen ook droogte-gevoeliger: zij gaan dan dieper de bodem in. Bij grote droogte in juni is de bodem te hard en kunnen kuikens niet goed bij hun voedsel. Kieviten hebben hierdoor nog sneller een voedselprobleem dan grutto’s.

Eigenlijk komt het erop neer, dat je meer rode wormen wilt in de voedselgebieden voor weidevogels. Uit Jeroens onderzoek komt naar voren dat intensieve veehouderij (en raaigrasweilanden) funest is voor een goede wormenstand. Jeroen deed diverse deelonderzoeken om te kijken hoe je de hoeveelheid rode wormen kunt bevorderen.

Zo keek hij bijvoorbeeld naar het effect van bemesting. Rode wormen groeien niet alleen beter op vaste stalmest (in tegenstelling tot injecteren met drijfmest), maar door het verzamelen van o.a. strootjes uit mest, dat zij de grond intrekken, ontstaat vanzelf een natuurlijk ecosysteem: er komen daardoor nutriënten vrij en de bodem blijft vochtig, waardoor er een hogere grasproductie ontstaat. Een win-win-situatie voor zowel boeren als vogels!

Al met al is de bodem, het graslandbeheer door boeren, de weidevogels en de aanwezigheid van wormen een complex systeem, waar eigenlijk nog heel veel meer onderzoek naar moet gebeuren. Het is dan ook jammer, dat in deze tijd van noodzakelijke veranderingen in de landbouw, daar te moeizaam geld voor uitgetrokken wordt.