Tot de marterfamilie behoren meerdere dieren, die we in Europa tegen kunnen komen: otter, das, boom- en steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel, (Amerikaanse) nerts (ontsnapt), Europese nerts, fret (=tamme bunzing) en de veelvraat. Van elk laat Aaldrik Pot een plaatje zien. Maar hoe houden we die boom- of steenmarter uit elkaar? Ze lijken enorm op elkaar: gelijksoortige prent, uitwerpselen, zelfs de verblijfplaats biedt niet altijd uitsluitsel, want een steenmarter kom je ook in een bos tegen en de boommarter dichtbij huizen.
Als je goed kijkt, zie je echter verschillen:
| Boommarter | Steenmarter |
| Zwarte neusdop | Roze neusdop |
| Bef (= borstvlek) is meestal geel en klein | Bef is meestal wit, groter en gevorkt. |
| Ondervacht is donker, een beetje grijs | Ondervacht lichtgekleurd, bijna wit |
| Grote oren, dichterbij elkaar | Kleine oren, zitten meer aan zijkant van hoofd |
Aaldrik laat ons oefenen met een flink aantal plaatjes. Daarna vertelt hij over de prenten van beide marters. Ze hebben een croissantvormige pootafdruk van hun voorvoet. De achtervoet lijkt meer op die van een kat – zonder croissantje dus.
De steenmarter is een generalist in alles, zowel qua woonplek als qua eten. Nu hij beschermd is en niet meer mag worden bejaagd, zie je dat zijn leefgebied aan het uitbreiden is. Hij komt niet meer uitsluitend in Oost-Nederland voor, maar wordt ook in Zeeland en Rotterdam gezien.
De steenmarter kan voor overlast zorgen. Marters klimmen vaak op huizen en zitten graag tussen het dakbeschot. Als er jongen komen, zijn die erg speels en geven overlast in huizen. Ook kunnen ze een latrine inrichten op bijvoorbeeld de hooizolder onder een takkenhoop. Dat kan erg gaan rieken. Daarnaast knagen de steenmarters aan leidingen van auto’s. Waarschijnlijk omdat de mantels van die leidingen in het verleden naar visolie roken. Maar volgens Aaldrik lijkt de overlast minder te worden. Hij noemt een paar remedies die tegen steenmarters gebruikt worden: kastjes met ultrasoon geluid, autobanden urineren (er klinkt gelach in de zaal, maar blijkbaar helpt dit), marterspray, zakjes hondenhaar, en er zijn zelfs mensen, die toiletblokjes onder hun autokap aanbrengen.
Aaldrik laat een filmpje zien van vechtende steenmarters. Hij legt het territoriumsysteem uit van deze dieren aan de hand van een plattegrond van een deel van Norg. Als één van de marters overlijdt, komt er een plek vrij en wordt er onderling opgeschoven naar een beter territorium. Dat gaat gepaard met behoorlijk wild gekrijs.
De boommarter kwam tot 2000 vooral voor in Drenthe, de Veluwe en de Utrechtse heuvelrug. Ook van dit dier is de verspreiding sindsdien enorm toegenomen. Tot zijn biotoop behoren in principe bossen en laagveen met moerasbos. Ook boommarters zijn opportunisten: zij eten wat ze kunnen vinden.
Hun jongen werpen ze bij voorkeur in de holen van spechten (zowel bonte als zwarte spechten). Je kan sporen gaan zoeken bij zo’n hol. Knaagsporen, waardoor het gat groter is gemaakt, kunnen duiden op een boommarter. Als je haren ziet aan de opening van een bosuilenkast, is het waarschijnlijk ook van een boommarter. Zo plunderen ze ook mezenkastjes. Je kan letten op afgekloven veren en marterkeutels. Die keutels kan je ook vinden op liggende bomen, waar ze graag overheen lopen (Aaldrik kan het nooit nalaten een liggende boom daarop te controleren).
Tenslotte vertelt Aaldrik nog enthousiast over verschillende onderzoeken, die hij met enkele anderen opgezet heeft. Ze bouwden bijvoorbeeld een cameraval bij twee opgerichte takken met een dwarstak daartussen, waar ze pindakaas met makreel op smeerden. Halverwege die verticale takken hingen bloempotjes, omdat de muizen ook van pindakaas met vis bleken te houden. Op die manier probeerden ze de verschillende territoria van de boommarter in kaart te brengen. Op de foto’s is een individuele marter goed te herkennen aan zijn borstvlek. Er bleken veel meer boommarters in zo’n bos te leven dan ze aanvankelijk dachten.
Irmgard Ballast
