NVZ 2011

 

 

 

 

 

 

Home Algemeen Bestuur Contact Lid worden Uitgevoerde activiteiten
Nieuws Agenda Werkgroepen Waarnemingen Archief Linkpagina Sponsoren

 

 

Vogels in Drenthe. Presentatie op 30 jan. 2018 door Bert Dijkstra


Dinsdagavond 30 januari hebben we met ruim 40 toehoorders de lezing en de verhalen beluisterd van Bert Dijkstra, een enthousiast vogelteller. Het ging over VOGELS IN DRENTHE. In het eerste deel presenteerde Bert ons gegevens over de ontwikkelingen van de vogelstand in Drenthe op basis van de Vogelatlas; in het tweede gedeelte zoomde hij in op de scholekster.


Bert is van jongs af aan al geïnteresseerd geraakt in de vogels, de nesten en de natuur waar hij samen met zijn vrienden in speelde. Zij hadden met elkaar op een mooie locatie een hut gekregen, die was voor de jeugd beschikbaar. Daar ontwikkelde zich al de vogelaar in hem.

Het onderzoek naar vogels van toen, leidde naar de kennis en interesse van de vele jaren daarna .

De veelheid van soorten die hij op het scherm voor ons tevoorschijn toverde was gigantisch.

Een paar (willekeurige) gegevens uit zijn presentatie:


Bert gunde ons een blik op de cijfers van broedvogels en overwinteraars. Hij keek daarbij naar verschillende landschappen: open en gesloten agrarisch cultuurland, bos, hei en moeras.

In het open agrarisch gebied is bijvoorbeeld een sterke tot zeer sterke achteruitgang te zien van de scholekster, kievit, kwartelkoning, grutto, wulp, paapje en patrijs. Maar in datzelfde gebied is er een toename/stabiele situatie te zien bij de grauwe gans, de gele kwikstaart, ooievaar, watersnip en veldleeuwerik. Bij de watersnip komt dat o.a. door de verbeterde waterkwaliteit.

In het gesloten cultuurland doen de roodborsttapuit, de grauwe klauwier en geelgors het goed, maar valt er een afname te zien bij de nachtegaal, torenvalk, zwarte kraai en roek.

De factoren die e.e.a. precies bepalen kunnen per soort verschillen. De situatie is complex. Afname van een geschikte leefomgeving en voedselaanbod is natuurlijk een van de redenen, maar er kunnen ook andere factoren spelen, zoals slechtere condities in het overwinteringsgebied.

Bert vertelde ook nog e.e.a. over het verschil in succes van diverse vogels bij het broeden en vliegvlug worden van de jongen. Verschillen die niet zondermeer verklaarbaar zijn, maar waar nader onderzoek voor nodig is.

Na de pauze kwam het persoonlijke onderzoek aan bod naar SCHOLEKSTERS, waarvan nog enkele lokale benamingen genoemd werden: in het Fries, het Weststellingwerfs en natuurlijk de naam in deze streken. Scholeksters kunnen gemiddeld zo’n 16 jaar worden, maar Bert kende er ook een die was 46 jaar geworden. Er is sprake van partnertrouw die ze kiezen vanaf het derde levensjaar. Het zijn eigenlijk wadvogels. Zij leven van oorsprong dus langs de kust, maar de onderzoeken geven veel informatie over hun aanpassingsvermogen. Bij het leven op het wad kunnen ze met hun snavels oesters openen. De inlandse scholekster heeft een veel puntiger snavel geschikt voor het eten van regenwormen en emelten.

Nergens in Europa waren er zoveel scholeksters te vinden als in Nederland. Maar zoals met veel vogels ging het niet goed. Belangrijk was het gegeven dat er door zeespiegel stijging en onderlopende kwelders nesten verloren gingen. Door de bemesting van de weilanden destijds nam het voedselaanbod in het binnenland toe. In de jaren ‘60 zijn ze wat meer het land in getrokken. Oorspronkelijk naar het platteland, maar daar zijn ze inmiddels ook weer aan het verdwijnen. Predatie door met name de vos speelt hierin zeker een rol.
De scholeksters zijn de laatste decennia wel meer te zien in de steden, op geschikte plekken zoals bedrijven terreinen met voldoende groen tussen de gebouwen. Hier vinden ze plekjes om te nestelen, vooral op de platte daken met grind, waarop de eieren nauwelijks zichtbaar zijn en kunnen ze hun kostje bij elkaar scharrelen. Hun dieet is in de stad veranderd: ze eten naast regenwormen en emelten ook slakken, vliegende mieren, kevers en spinnen. Eind jaren ‘80 Bert is gaan onderzoeken hoe zij in en om Assen leven.

Ze nestelen dus veel op daken van fabrieken en gebouwen. Het broedsucces is goed, maar als ze té hoog op gebouwen nestelen, sneuvelen de jongen nog wel eens doordat de val dan te hard aankomt als ze er af springen. Ondanks het stedelijk succes gaat het niet goed met de scholekster.

Veel stadse scholeksters en hun jongen worden geringd, wat allerlei informatie geeft. Ringen is in de stad redelijk eenvoudig, omdat de stadse scholekster zijn schuwheid wat verliest. Ook is er door het verspreiden van folders en andere informatie medewerking van de bevolking gezocht.

Kortom door deze onderzoeken en het enthousiasme van vogelaars als Bert hopen we op meer kennis in de toekomst. En SOVON kan nog steeds meer vogeltellers gebruiken!

Aan het einde dankte Joop Bert Dijkstra hartelijk voor zijn mooie en vooral persoonlijke verhaal.


Anneke Genis



 

Een volle zaal met vogelliefhebbers

 

 

Bert Dijkstra met een gepassioneerd verhaal over “zijn” Scholeksters